WELKOM BIJ DE KSTC

de club voor de Krulduif, Schmalkaldener Moorkop en Trommelduiven

Schmöllner Trommelduif

schmollnerfrindelRaskenmerken
De Schmöllner trommelduif is een krachtige, lange, middelhoog gestelde duif met een horizontale stand. Deze horizontale stand komt overeen met de stand van de overige trommelduiven- en kleurduivenrassen. Dit houdt in dat de slagpennen horizontaal gedragen worden en dat de ruglijn licht afhellend is. De Schmöllner heeft een duidelijk gestrekt lichaam met een niet te korte staart. Over het algemeen hebben ze geen problemen met de lengte van het lichaam. Er zijn soms nog wel eens dieren die wat aan de smalle kant zijn. Dat laatste is niet gewenst! We zien graag een krachtige en brede duif.

De loopbenen zijn niet glad, maar "bekousd". Dit betekent voor dit ras dat het loopbeen bevederd is en de tenen kaal zijn. Misschien zouden we het beter "bebroekt" kunnen noemen om zo verwarring te voorkomen met bekousd, hierbij zijn zowel het loopbeen als de tenen bevederd (vb. de krulduif en de Oosterse meeuw). Geregeld komen we Schmöllners tegen die te krap bevederde loopbenen hebben. Dit is het zien we het eerst aan de binnenzijde van de dijbenen, de bevedering wordt dan erg dun. Ook komt het voor dat de benen te rijk bevederd zijn. Dit uit zich vooral in de aanwezigheid van kleine gierhakken of teenbevedering. Deze te rijke bevedering is voor de tentoonstelling wel te conditioneren, mits het niet teveel is.

De kop is glad, gerond en goed gevuld. Ze vertonen geen kopstructuur zoals veel andere trommelduiven. Daarbij hebben ze ook niet zo’n sterk gevormde kop als de Altenburger trommelduif. Ze vertonen geen duidelijk voorhoofd, maar een goed geronde kop. De ogen moeten zo zuiver mogelijke "parelogen" zijn. In de praktijk zal je zien dat de meeste ogen wat lichter en helderder van kleur zouden kunnen zijn. Vaak zijn de ogen wat aan de gele kant.

Het belangrijkste raskenmerk is toch wel de brede, duidelijk gescheiden staart (vorkstaart). Deze moet breder zijn dan het lichaam. De staart kan alleen deze scheiding krijgen, doordat de stuitklier afwezig is. Verder moet de staart bestaan uit minstens 14 staartpennen, minder is een grote fout, meer is geen probleem. Door afwezigheid van de stuitklier ontstaat de kenmerkende vorkstaart. In de praktijk zie je dat veel dieren nog een betere scheiding in de staart mogen tonen. Deze scheiding moet duidelijk zichtbaar zijn als het dier in de hand wordt beoordeeld. Voorkeur heeft het echter als de staartscheiding in de kooi al goed zichtbaar is. Het aantal staartpennen en de breedte van de staart is over het algemeen geen probleem.

Kleurslagen
De kleurenpallet van de Schmöllner is niet overdreven groot, maar biedt toch voor elk wat wils. Ze zijn erkend in de volgende kleurslagen: wit, zwart, rood, geel, blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, blauw zonder banden, blauwzilver zonder banden, roodzilver, geelzilver, blauw gekrast, blauwzilver gekrast, roodzilver gekrast, geelzilver gekrast, lichtblauw met witte banden, blauw met witte banden, geleeuwerikt, donker-, lichtgetijgerd en sproetkop in het zwart, blauw, rood en geel. In Duitsland zie je vooral de kleurslagen zwart, blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, lichtblauw met witte banden en geelzilver geband. Sinds kort zijn in ons land enkele koppels in geelzilver geband aanwezig.

Statistieken

Gebruikers
2
Artikelen
20
Weblinks
38
Artikelen bekeken hits
35948