WELKOM BIJ DE KSTC

de club voor de Krulduif, Schmalkaldener Moorkop en Trommelduiven

Arabische Trommelduif

arabierfrindelDe Arabische trommelduif is de kleinste trommelduif uit de groep van de trommelduiven. Het is een ras dat niet alleen afwijkt in grootte maar ook in stemgeluid. Ze hebben geen laag wak-wak-wak geluid wat eigenlijk alle trommelduiven laten horen, maar een veel hoger afwisselend geluid. Ze worden nog al eens afgedaan als een onopvallende duif. In mijn ogen is dat echter totaal niet het geval. Het is een actieve, vertrouwelijke duif met een geweldig stemgeluid met tevens raseigenschappen die niet zo makkelijk te verwezelijken zijn. Voorbeelden hiervan zijn het fokken van de juiste kopvorm en keelwam. We zien ze de laatste jaren gelukkig steeds meer op de tentoonstellingen, dus rede genoeg om er weer eens aandacht aan te besteden.

Geschiedenis
Over de geschiedenis van dit ras is door je jaren heen van alles gezegd en geschreven. Wat vast staat is dat de eerste dieren die bijgedragen hebben aan de verbreiding in Europa meegebracht zijn uit Saoudi Arabië door de Duitser Matthias Holler. Deze persoon heeft vele jaren in de Arabische landen gewerkt en heeft daar ook de eerste dieren gezien. Het verhaal gaat dat de eerste dieren die naar Duitsland gekomen zijn, door Holler in zijn jaszakken en handbagage zijn gesmokkelt. Holler heeft zelf jarenlang Arabische trommelduiven gehouden en gefokt en ook een "standaardbeschrijving" van de gedomesticeerde vorm van de wilde Veldtrommelduif uit het land van oorsprong ‘Saoedie Arabië’ meegebracht en gepubliceerd. Holler baseert zich op oeroude geschriften, die in Palestina te voorschijn zijn gekomen. De Arabische Trommelduif is een oerduif. Ze is de directe, tam gemaakte, nakomeling van de wilde Veldtrommelduif, die zo’n 1000 jaar geleden is uitgestorven. Volgens Holler heeft Moore (1735) dit duivenras reeds beschreven en heeft het toen "Lacher" genoemd. Hij heeft ook enkele van deze "Lachers" vanuit Jeruzalem mee naar Engeland gebracht. Ook Fontaine (1922) en Nanant (1958) hebben dit duivenras vermeld en het onder de naam "Lacher"beschreven. Holler bericht ook, dat door Dr Prichard (1957) enkele paartjes vanuit het verre Oosten, waar ze "Knock-Kwock"heten, in Amerika heeft ingevoerd. Deze "Heilige Duif"van de Mohammedanen, die volgens hun idee zingen en bidden kunnen, worden ook in Mekka gefokt en verzorgd, en zijn slechts zelden te bewonderen, omdat ze in afgesloten achtertuinen in grote, uit riet gevlochten kooien gehouden worden. Europeanen was de toegang tot deze plaatsen volledig verboden, en daardoor is het mogelijk geweest, dat deze duif gedurende zo’n lange periode door de Europese fokkers niet is ontdekt. De bakermat van de Arabische Trommelduif is de stad Mekka in Saoedi-Arabie. In Duitsland is de Arabische Trommelduif pas in 1964 als rassierduif erkend. Mathias Holler was een van de pioniers, die de Arabische Trommelduif na de 2e wereldoorlog in Duitsland hebben ingevoerd en gefokt heeft. Holler heeft ook de eerste standaardbeschrijving opgesteld en heeft zich er ook voor ingezet, dat het ras inderdaad erkend zou worden. Hij was niet alleen fokker, hij was ook liefhebber en bewonderaar van deze bijzondere duif. Voor hem was de Arabische Trommelduif een zeldzame en unieke verschijning.
De laatste jaren zijn er uit diverse landen uit het Midden Oosten duiven geïmporteerd die ongeveer het uiterlijk hebben van de Arabische trommelduif. Echter hebben deze duiven vaak nogal een verschillend stemgeluid. Uit gesprekken die ik heb gevoerd met enkele fokkers uit het Midden Oosten is mij duidelijk geworden dat bijna elke streek varianten met een eigen stemgeluid heeft. Als je luisterd naar het geluid dat de "Europese" Arabische trommelduiven maken lijkt het mij het meest logische om te concluderen dat wij uit al deze varianten een eigen ras gemaakt hebben welke wij de Arabische trommelduif noemen. Naar mijn mening komt dit ras in deze vorm niet voor in de Arabische landen. Het is bij ons een showduif geworden met diverse uiterlijke kenmerken (die ik hieronder zal bespreken) die in de Arabische landen totaal niet belangrijk zijn. In die landen draait het om het stemgeluid, in onze westerse wereld om de verschijning. In Duitsland wordt echter de laatste 5 jaar bijzonder veel waarde gehecht aan het aanwezig zijn van het trommelgeluid bij dit ras. Eens per jaar worden er trommelwedstrijden georganiseerd. Het gaat bij deze wedstrijden echter nog niet om de eigenlijke tonen van het trommelgeluid maar om de lengte van dit geluid. In mij ogen is het behoud van het geluid bijzonder belangrijk. Een trommelduif behoort te trommelen, een roller moet kunnen rollen en een ringslager moet ringen kunnen slaan.

Raskenmerken
Het type van de Arabische trommelduif kan het beste omschreven worden als dat van een kleine veldduif. Dit houdt in dat we praten over een duif met een goed geronde, voldoende brede borst en een niet te lange achterpartij. We willen geen kleine duif zoals een Figurita Valenciana meeuwtje, maar ook geen forse veldduif zoals een Frankische trommelduif. We moeten hier een tussenweg in zien te vinden. Dit houdt dus in dat we op het oog moeten bepalen of het dier aan het type voldoet. Belangrijk is dat het dier in verhouding is, niet groot of plomp oogt en een zekere elegantie behoudt. Veel voorkomende fouten in het type zijn een te smalle borst, te lang van type, te groot of te plomp van type. De stand van de Arabische trommelduif is horizontaal, dit houdt in dat we de vleugelboog horizontaal gedragen wensen en de rug licht afhellend. Dieren die te horizontaal (vlak) of te afhellend staan zien we niet vaak. Het is echter wel foutief.
Als tweede onderdeel in de standaard vinden we de kop. Qua vorm verlangen we een ovaalgeronde kop met het hoogste punt boven de ogen. Belangrijk aan dit onderdeel is dat de kop niet te groot is. We verlangen een kopje in verhouding met het lichaam. Vaak zien we dat keurmeesters gaan voor de dieren met de grootste en meest gevulde ronde koppen. Dit is niet wat we bij dit ras willen. De koppen zijn ovaalgerond, dus niet (kogel)rond. Verder moet de kop in verhouding zijn met het lichaam, wat dus inhoud dat deze nooit groot kan zijn, dit omdat we een kleine elegante veldduif verlangen. We zien nogal eens dieren die in de kooi een lang achterhoofd tonen. Als we deze dieren in de hand nemen is deze kop vaak prima in orde. Belangrijk is op dat moment hoe het dier zich in de kooi toont. Vertoond deze daar een lang achterhoofd dan is dit foutief en dienen we dit het dier zwaar aan te rekenen. Maximaal 93 punten is dan bij een verder fraai dier helaas het hoogst haalbare.
Ook zien we nogal eens dieren met een vlakke bovenschedel. Als deze dieren echt een platte kop hebben dan is de kop vaak ook wat vierkant. Deze dieren kunnen niet meer als 92 punten halen. Vertoont de kop toch nog enige ronding dan zien we graag wat meer vulling boven de ogen, 93 maximaal 94 punten zijn dan nog haalbaar. Als laatste zien we ook wel eens dieren die te spits zijn in voorkop. Iets wat we ook niet wensen. Dit dienen we ook weer te bestraffen naar mate waarin het aanwezig is.
De raseigenschap waar altijd het meest over wordt gepraat is de keelwam. De keelwam is zeker een van de hoofdraskenmerken van dit ras. Belangrijker zijn echter wel het type en de kopvorm. Een keelwam houdt in dat er een huidplooi aanwezig is vanaf de snavelbasis tot aan de hals. (zie overzichtstekening) Deze eigenschap zien we ook bij diverse meeuwenrassen.Bij de Arabische trommelduif verlangen een keelwam, en geen overdreven wam als bij de diverse wamduiven. De wam bij wamduiven is anders gevormd als bij de Arabische trommelduif. Bij deze rassen loopt de keelwam namelijk helemaal door over de gehele hals, deze dieren vertonen naast de wam aan de keel dus ook een duidelijke halswam. Dit laatste wordt bij de Arabische trommelduiven niet gewenst. Als de dieren een duidelijke halswam gaan vertonen dan verliezen ze de (hals) elegantie en hebben we te maken met een kleine wamduif, iets wat we niet willen. Een grotere fout is echter een Arabische trommelduif die geen keelwam vertoont. Dergelijke dieren kunnen niet hoger halen als 91 punten. Over het algemeen vertonen de meeste dieren wel een keelwam of in elk geval een aanzet tot deze keelwam. Men moet het willen zien. Het beste kan men de dieren in de kooi beoordelen. Voor een predikaat van 95 punten of hoger moet deze eigenschap in de kooi zichtbaar zijn. Als men twijfeld of het dier een keelwammetje heeft dan moet men het dier uit de kooi halen en wachten tot het dier de kop draait. Als bij het draaien van de kop een huidplooi zichtbaar is kan met dier nog gewoon 93-94 punten geven. Men schrijft dan alleen wel dat de wam duidelijker aangezet dient te zijn.
Verder zijn bij dit ras de snavelkleur en de oograndkleur bijzonder belangrijk. Bij de Arabische trommelduif worden bij alle kleuren lichte oogranden en een lichte snavel verlangd. Dit houdt in dat bij de donkere kleurslagen de oogranden duidelijk zichtbaar zijn. Dit is geen fout, maar een raseigenschap. Belangrijk is natuurlijk wel dat we een oogrand van een fijne structuur verlangen. Is de oogrand wat grof of wat breed, dan is dat natuurlijk niet gewenst. Houdt er echter wel tekening mee dat dit bij de donkere kleuren meer opvalt. Een beetje gevoel voor het beoordelen van deze kleuren is dan ook gevraagd.
Verder hebben alle kleurslagen ook een lichte snavel. Dit is bij de lichte kleuren geen probleem. Bij de zwarte kleurslag en de blauwvarianten is dit soms lastig te verwezelijken. Deze kleurslagen horen de smoky factor mee te dragen, deze factor zorgt voor de lichte oogranden en de lichte snavelkleur. Helemaal licht wordt de snavel echter niet, een donkere snavelstip zal altijd zichtbaar zijn en is dus geen probleem. Vaak zal men echter zien dat de snavel in het geheel wat donker is. Een donkere ondersnavel is foutief, een donkere bovensnavel is te tolereren. Keurmeesters houdt hier rekening met de moeilijkheids factor, deze kleuren zijn al zo zeldzaam De roodkleuren en de geelkleuren hebben een lichthoornkleurige snavel. Dit houdt in dat deze dus nooit helemaal blank is. Te donker (bijna zwart) is foutief. De rest is te beoordelen naar de mate van aanwezigheid van pigment. Verder gaat de nagelkleur mee met de snavelkleur. Eigenlijk een onderdeel waar u weinig aandacht aan hoeft te besteden.
De ogen zijn bij alle kleurslagen donker. Hierin vindt men weinig fouten. Zijn er echter duidelijke afwijkingen in kleur dan is dit foutief. Bij de donkere kleurslagen komen nogal eens groenige ogen voor. Ga er niet naar op zoek, maar als het duidelijk zichtbaar is heeft het dier helaas een foutieve oogkleur en moet men dit bestraffen.
Aan de bevedering kunnen we bij dit ras hoge eisen stellen. Deze dient ten alle tijden goed aanliggend te zijn. Een fout die we bij dit ras nogal eens tegenkomen is een te losse halsbevedering. Hier moet daarom goed op gelet worden. Verder komen er wel eens dieren voor met een wat slappe vleugeldracht. Als dit te erg is spreken we zelfs van hangvleugels. Dit is erg erfelijk. Heeft u dieren in de fok welke deze fout laten zien let dan erg goed op. U heeft uw stam zo naar de knoppen geholpen. Mijn advies is niet fokken met deze dieren.

Kleurslagen
De volgende kleurslagen zijn op dit moment erkend: Wit, zwart, dun, dominant rood, dominant geel, blauw zwartgeband, roodzilver geband, geelzilver geband, blauw gekrast, rood-atlaskleurig, geel-atlaskleurig, zwartbont, blauwbont, dominant roodbont en dominant geelbont. Tevens zijn er fokkers bezig met de kleuren: blauwzilver donkergeband en blauwzilver gekrast.

De witte kleurslag komt het meest voor. Voor wat betreft type, kop, wam en bevedering kunnen hier bij tentoonstellingsdieren hoge eisen worden gesteld. We zien bij deze kleurslag nog al een niet goed afgedekte oogranden, hier moet goed op gelet worden.
De zwarten moeten een zuivere intensieve kleur hebben. Hier zien we nogal eens dieren die te grijs zijn. Belangrijk is dat de buitenvanen van de slagpennen ook geheel zijn doorgekleurd. Aandachtspunt bij deze kleur zijn de oogranden. Deze zijn vaak slecht afgedekt en lijken daardoor wat grof. Verder hebben we hier ook het probleem van de snavelkleur. Ondanks de smoky-factor is deze vaak te donker. Een donkere bovensnavel is toelaatbaar, mits de neusgaten maar licht van kleur blijven, een aangeslagen ondersnavel niet. Inkruisen van wit geeft wel verbetering aan type kop en wam, maar daarmee gaat wel de kleur verloren. Tolerantie is dus geboden.
De blauw zwart gebanden variëren van licht tot donker blauw. Het is dus van ondergeschikt belang of de grondkleur wat lichter of donkerder is. De schildkleur moet echter wel egaal zijn, door de aanwezigheid van de smoky-factor is deze nogal eens vlekkerig. De banden zien we graag zo smal mogelijke en gescheiden verlopend. De blauwen hebben verder donker gekleurde slagpennen, en ook een donkere staartband. Tevens dienen de buitenvanen van de staartpennen ook bij deze kleur geheel doorgekleurd te zijn, dit geldt tevens voor de kleur van de rug. Belangrijk is ook dat de dieren een groene glans in de hals vertonen. Is deze rood dan wijst dit op kruising met rood-atlaskleurig. Dit willen we niet en daarom dient een foutieve halskleur zwaar bestraft te worden.
Voor de Blauw-gekrasten geldt hetzelfde als voor de blauw gebanden. Echter hier velangen we een optisch zo gelijkmatig mogelijke krastekening. Het probleem hierbij is vaak dat de vleugelschilden helemaal dicht lopen. Dit betekend dat er nagenoeg geen krastekening zichtbaar is. Doordat deze kleurslag nogal zeldzaam is moeten we enige clementie tonen ten opzichte van deze tekening. Er moet natuurlijk wel enige krastekening zichtbaar zijn.
De rood-atlaskleurigen onderscheiden zich van de blauwen door hun rode kleur aan hals en bovenborst, verder hebben ze grijsblauw gewolkte vleugelschilden met donkere banden. Rode aanslag in de binnenvanen van de slagpennen is een lastig te verwezelijken geheel, maar een eis bij deze kleurslag. Vaak lopen de slagpennen in de buitenvanen erg licht uit (bijna wit), dit is ondanks de moeilijk van deze kleur, helaas wel foutief. Vertonen dieren deze fout dan kunnen ze helaas geen 96 of 97 punten meer halen. Rode aanslag op de rest van de bevedering is toegestaan. Verder is de kopkleur lichter als de halskleur.
De geel atlaskleurigen hebben, in tegenstelling tot de rood-atlaskleurigen, een gele kleur op de hals en bovenborst. Zij vertonen ook een grijsblauw, gewolkt vleugelschild met donkere banden. De binnenvanen van de slagpennen zijn geel-blauw. Gele aanslag op de rest van de lichaamskleur is ook hier toegestaan. De staartband moet zich echter donker (blauw-grijs) afzetten. De kopkleur is lichter als de halskleur.
Bij de dominant roden moeten de kop, de hals en de borst helder steenrood zijn. De halskleur wordt glanzend verlangd. De schildkleur wordt zo egaal mogelijk verlangd. Een lichte krastekening is niet gewenst maar wordt vanwege de zeldzaamheid van de kleur toegestaan.Verder hebben deze dieren lichte slag- en staartpennen (postduiven rood). In de binnenvanen van de slagpennen moet voldoende kleurstof aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de spiegels aan de onderzijde van de staartpennen. Vertonen de dieren hier te weinig kleur dan zal de schildkleur over het algemeen ook niet egaal zijn. Bij deze kleurslag zien we helaas nogal eens te donkere snavels. Zolang deze echter lichthoornkleurig is, is het geen probleem. Zo blank mogelijk heeft echter wel de voorkeur. Deze kleurslag komt niet zo veel voor, helaas.
Bij dominant geel verlangt men hetzelfde als bij dominant rood, alleen dan voor geel i.p.v rood. Wat we bij de dominant gele kleurslag nogal eens zien is een zwarte pepering in de mantelpennen. Dit is ongewenst en dient dus bestraft te worden. Ook zien we vaak en blauwe aanslag aan de kop. Bij duivinnen kunnen we dit nog enigzins tolereren, maar bij doffers is dit een zware fout. We zien bij deze kleurslag genoeg dieren met een goede kleur, dus hier mag best streng op gelet worden.
Bij de kleurslag roodzilver geband wordt een as-rode grondkleur verlangd. Verder een zo intensief mogelijk gekleurde hals en banden. Of de kopkleur donker of licht is is niet zo van belang. Mits de schildkleur maar egaal is. Bij keuze uit meerdere dieren gaat degene met de lichtste schildkleur (en beste banden) voor. Op een juiste buikkleur moet gelet worden (geen blauw).
Dan de jongste kleurslag bij dit ras, geelzilver geband. Bij deze kleurslag zien we graag een licht gele grondkleur met weer een zo intensief mogelijk gekleurde hals en banden. Verder geldt voor deze kleurslag eigenlijk hetzelfde als voor de roodzilvers. Bij deze kleurslag moeten we echter nog wel rekening mee houden dat de duivinnen vaak nog wat aan de blauwige kant zijn. Dit is niet gewenst, maar laten we vanwege het pas twee jaar erkend zijn van deze kleurslag hier nog wat rekening mee houden.
De bonten in zwart, blauw, dominant rood en dominant geel moeten een zo gelijkmatig mogelijke kleurverdeling hebben. Dit betekent, dat enkele gekleurde veren in een wit veld geen bonttekening is, zoals we die verlangen. Omgekeerd dus evenmin. Fifty-fifty gelijkmatig verdeeld is natuurlijk het meest ideaal, maar ook dat zullen we weinig tegenkomen. Alles wat qua tekening tussen 40% wit, 60% gekleurd en andersom valt is in orde. Belangrijk bij deze tekening variant is dat de kleurvelden intensief gekleurd zijn. We kunnen hier misschien nog niet dezelfde eisen aan stellen als bij de eenkleurige dieren, maar nastreven moeten we het in elk geval wel. De kleur van de nagels speelt bij de bonten geen rol. De laatste jaren zien we bijzonder goede dieren in dominantrood-, en dominantgeel bont. Deze dieren blinken vaak uit in keelwam en kleur en tekening. Iets wat we dus best mogen waarderen als we deze kleurslagen tegenkomen.

Statistieken

Gebruikers
2
Artikelen
20
Weblinks
38
Artikelen bekeken hits
35004