WELKOM BIJ DE KSTC

de club voor de Krulduif, Schmalkaldener Moorkop en Trommelduiven

Altenberger Trommelduif

altenburgerfrindelGeschiedenis
Het ontstaan van de Altenburger is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is het ras ontstaan uit kruisingen tussen de Russische trommelduif (de oer-trommelduif) en veldduiven. Dat het ras tot één van de oudste duivensoorten behoort valt niet te betwijfelen. In de oude literatuur wordt in ± 1735 de gladkoppige, kaalbenige trommelduif met name genoemd. De naam Altenburger dankt het ras aan het feit, dat men tot ± 1875 deze trommelduiven uitsluitend kende in Altenburg en omgeving. In die tijd werd het ras voornamelijk gehouden vanwege het trommelgeluid. Vanaf begin vorige eeuw is het ras ook steeds meer op de tentoonstellingen terecht gekomen. Toch worden er elk jaar in de plaats Altenburg nog trommelwedstrijden gehouden met dit ras. De dieren worden eerst ‘gewoon’ beoordeeld. Hierna vind het trommel-kampioenschap plaats. De daarbij behaalde punten worden opgeteld bij het behaalde predikaat. Het dier dat dan de meeste punten heeft behaald wint de wedstrijd. Heden ten dage ziet men in Duitsland op de grotere tentoonstellingen vaak inzendingen van meerdere honderden Altenburgers. In ons land zijn ze gelukkig op nagenoeg elke tentoonstelling aanwezig. Leuk om nog even te vermelden is dat de oprichter van onze speciaalclub, Louis Maas, de Altenburger in 1936 in ons land heeft geïntroduceerd. Het ras is een ras dat de aandacht verdient. Ze zijn niet alleen een lust voor het oog, maar ook zeker voor het oor.

Raskenmerken
De Altenburger trommelduif is van uiterlijk één van de eenvoudigere rassen binnen de trommelduivenwereld. De Altenburger moet een zeer fors veldduiventype laten zien met een bijna horizontale stand, kop met hoog voorhoofd, kaalbenig en met een zeer goede trommelstem. Dit laatste wordt op de tentoonstellingen niet beoordeeld. Hiervoor zijn de al eerder genoemde trommelwedstrijden.
Het type van de Altenburger moet een fors veldduiventype zijn. We zien nog wel eens dieren die te klein worden of dieren die te smal zijn. De stand is middelhoog en bijna horizontaal. Dit laatste betekent dat de onderzijde van de vleugel horizontaal wordt gedragen. De rug is hierdoor licht afhellend. De kop, een zeer belangrijk onderdeel, moet hoog en breed zijn. Het hoogste punt voor het oog en naar achteren afhellend, gladkoppig en vloeiend overgaand in de hals. Belangrijk is dat de kop voldoende volume behoud, wordt dit minder dan wordt de kop te spits of in het geheel te rond. Voorheen werd er minder op de kopvorm gelet. De kleur was toen erg belangrijk en werden ze bijna gekeurd als kleurduiven. De kleur is nog steeds belangrijk, maar tegenwoordig wordt het type en de kop zwaarder beoordeeld. Het moge duidelijk zijn dat dit ras nog steeds in ontwikke-ling is. De hals, van de Altenburger, moet niet zo fors worden dat deze een stieren-nek gaat vertonen. De hals mag best een beetje fors zijn, mits deze zijn elegantie maar behoudt. De ogen zien we graag zo zuiver mogelijk parelkleurig. Vogels met erg lichte ogen laten nog wel eens een uitgezakte pupil zien. De oogranden moeten smal zijn, afhankelijk van de veerkleur licht tot donker. De snavel is middellang, donker tot zwart bij de donkere kleurslagen en licht bij de lichte kleurslagen, dominant rood, witkappen en gemonnikte, donker hoornkleurig bij roodzilver, roodzilver gekrast en roodzilverschimmel, licht hoornkleurig bij geelzilver, geelzilver gekrast en geel-zilverschimmel. De hals is matig lang en goed uitgesneden. De borst, breed gerond en naar voren ge-dragen. De rug is breed in de schouders en licht afhellend. De vleugels zijn matig lang, de rug goed afdekkend. De staart is matig lang en goed gesloten met brede veren. De benen zijn middellang en onbevederd. De nagelkleur is in overeenstemming met de snavelkleur. De bevedering is niet te strak aanliggend en glad.

Kleurslagen
Wat de kleurslagen betreft is de Altenburger rijk toebedeeld. Alle kleuren moeten gelijkmatig, intensief, respectievelijk zuiver zijn. De kleuren moeten veel glans tonen. De blauwen met zwarte banden, blauwzilvers, roodzilvers en geelzilvers moeten schone schilden hebben, dus niet gewolkt. De banden moeten lang, zuiver, niet te breed en gescheiden zijn. De gekrasten moeten een regelmatig en scherp vleugelpatroon laten zien. De geleeuwerikten daarnaast ook nog een okerkleurige borst. Erwtengeel moet een intensief geel gekleurde hals hebben, evenals de borstkleur en de banden. De kop, slag- en staartpennen zijn licht. Bij duivinnen zijn een donkere kop en lichtgrijs in de buikkleur toegestaan, dit geldt ook voor de roodzilvers. De schimmels zijn erkend in blauwschimmel, roodzilverschimmel en geelzilverschimmel. De blauwschimmels hebben donkere banden en een donkere staartband. De roodzilver- en geelzilverschimmels hebben rode, respectievelijk gele banden en lichte slagpennen en een lichte staart. Ook zijn ze erkend in blauw witgeband en witgeschubd en lichtblauw witgeband en witgeschubd. De blauwen met witte banden of witte schubtekening hebben net als de meeste kleurduiven-rassen een zwarte bandzoom. De lichtblauwen met witte banden of witte schubtekening dragen een opaalfactor met zich mee waardoor de zwarte bandzoom ver-dwijnt. De sproetkoppen hebben een met witte veren gespikkelde kop; indien met vleugelrozet, dan aan elke vleugel-boeg enige witte veren (± 5 tot 10). In getijgerd zijn ze erkend in donker- getijgerd en lichtgetijgerd. De donker- getijgerden hebben een gekleurde borst, slagpennen en staart. De overige beve-dering bestaat uit afwisselend gekleurde en witte veren. De lichtgetijgerden vertonen hetzelfde tekeningpatroon als de donkergetijgerden, alleen zijn de slagpennen en staart noch alle gekleurd, noch alle wit. Met de beoordeling van deze laatste twee tekeningvariëteiten moet men enige soepelheid betrachten. Dan zijn er nog de witkoppen en gemonnikten. Bij de witkop is de kop tot ongeveer één centimeter onder de ogen wit. Ook zijn aan elke vleugel de buitenste slagpennen (7 tot 10) wit. De overige bevedering is gekleurd. De gemon-nikten lijken qua tekening erg op de witkoppen. Alleen is bij deze kleurslag, naast de witte kop en de witte slagpennen, de staart, met boven- en onderstaartdek, ook wit. U ziet wel, in kleurslagen, kleur en tekening heeft de Altenburger geen gebrek Keuze genoeg.

De Altenburger is een prettige duif in het hok. Het zijn goede broeders en brengen hun jongen voortreffelijk groot. Ze stellen niet veel eisen. Het hok moet wel, net als bij elke andere duif, droog en tochtvrij zijn.

Het ras wordt veel gefokt en is in ons land in een uitzonderlijke kwaliteit voorhanden. De Nederlandse dieren doen het internationaal zeer goed. In onze vereniging hebben we vader en zoon Nieuwenhuis die erg veel voor de Altenburger hebben gedaan (en nog steeds doen). Wim Nieuwenhuis Jr. heeft in 2004 van de Duitse speciaalclub zelfs de zilveren erespeld ontvangen. De laatste jaren gaan zelf vaak dieren terug naar het oorsprongsland.
De Altenburger is een mooi ras op het hok. We kunnen altijd fokkers gebruiken. Dus als u interesse heeft laat het dan weten.

Statistieken

Gebruikers
2
Artikelen
20
Weblinks
38
Artikelen bekeken hits
39853