WELKOM BIJ DE KSTC

de club voor de Krulduif, Schmalkaldener Moorkop en Trommelduiven

Frankische Trommelduif

frankfrindelVoor mij is het onbegrijpelijk dat dit ras in Nederland nooit populairder is geweest. Er zijn altijd wel wat liefhebbers van geweest, maar grote aantallen hebben we op onze tentoonstellingen nog nooit gezien. De rede hiervan is mij onbekend. Hopelijk gaat het gemis van dit ras op onze tentoonstellingen veranderen. Er zijn op dit moment weer een aantal fokkers die goed materiaal naar Nederland hebben gehaald. Daarbij hoop ik dat deze rasbeschrijving wat bij zal dragen aan de bekendheid van dit prachtige ras.

Geschiedenis
De geschiedenis van dit ras hangt samen met het ontstaan van de diverse trommelduivenrassen in Duitsland. Begin 1900 werden de trommelduiven hoofdzakelijk voor het stemgeluid (trommelen) gefokten werd er geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de diverse rassen. Er kwamen op dat moment dieren voor met kale benen, voetbevedering, glad koppig, dubbelgekapt, snavelgekapt en combinaties hiervan. Alles was mogelijk. Hoe ze eruit zagen was niet van belang als ze maar trommelden. In de twintiger jaren van de vorige eeuw is hier verandering in gekomen. In deze tijd waren er groepen fokkers die pleiten voor een onderverdeling in verschillende trommelduivenrassen. Het ras " de Frankische trommelduif" is sinds 1931 officieel erkend, vreemd eigenlijk als je ervan uitgaat dat het ras al in de standaard van 1926 is vermeld en dat de speciaalclub al in 1924 is opgericht. Het vermoeden bestaat dat het ras al meer dan 100 jaar in Oberfranken, en dan vooral het gebied rondom Coburg, gefokt wordt. Op dit moment vinden we daar nog steeds de grootste concentratie fokkers. Na de tweede wereldoorlog heeft het ras zich steeds verder verbreid. Eerst richting het zuiden van Duitsland en later ook steeds meer naar het noorden. Toch spelen de activiteiten rondom dit ras zich nog steeds af in Oberfranken. In de overige gebieden worden ze wel gefokt, maar mondjesmaat.

Raskenmerken
Het type van de Frankische trommelduif is kort, breed en fors. In Duitsland hebben ze om dit gewenste type te bereiken diverse vormduiven ingekruist. Door kruisingen met de King (en waarschijnlijk de Engelse modena) komen er nogal eens dieren voor die zich in de tentoonstellingkooi erg opblazen en slaan met de vleugels. Dit is niet gewenst! De Frankische trommelduif moet een rustige duif zijn, dus dit gedrag moet bestraft worden. Over het algemeen vertonen de meeste dieren het juiste type. Er willen helaas nog wel eens dieren voorkomen die te lang zijn. Bij de "Frank", zoals het ras vaak genoemd wordt, komen tussen de verschillende kleurslagen wat verschillen in grote voor. Door de eerder genoemde kruisingen zijn de blauwvarianten en de witten over het algemeen wat groter dan de overige kleurslagen. Hiermee moet bij de beoordeling rekening gehouden worden. Ze moeten fors gebouwd zijn, dit wil niet zeggen hoe groter hoe beter. Vooral de roden, gelen, witschilden en de geeksterden en gedekten zijn vaak wat kleiner van type. De vleugelbogen mogen niet zichtbaar zijn, deze moeten goed ingepakt liggen in de borstveren.
De stand van de Frank is diep en horizontaal. Dit betekend dat het loopbeen tot aan het gewricht niet zichtbaar is en dat de onderzijde van de slagpennen horizontaal wordt gedragen. De rug is daardoor ligt afhellend. Er komen nog wel een dieren voor die te vlak staan. Deze eigenschap is wederom een overblijfsel van de hiervoor genoemde kruising. Deze te vlakke stand is ongewenst en moet daarom dus ook bestraft worden. De benen dienen onbevederd te zijn. Door de verwantschap met de Duitse dubbelgekapte trommelduif zien we wel eens dieren met bevederde tenen. Dit is niet rastypisch en daardoor ongewenst.
Kenmerkend voor het ras is verder de korte dikke hals. Er komen nogal eens dieren voor met een (te) slanke hals. Vaak gaat dit samen met een te smal type. Ook zien we nogal eens dieren met een te lange hals. Dit is ongewenst, dus foutief.
Op deze korte dikke hals verlangen we een grote, brede en zo vlak mogelijke kop. Een smalle kop wijst vaak ook weer op een te smal type. Dieren die te smal zijn hebben namelijk ook een slankere hals en daardoor weer een smallere kop. De grote van de kop is erg belangrijk. Dit omdat op deze kop een goed ontwikkelde kopstructuur aanwezig moet zijn. Deze kopstructuur bestaat uit een goed ontwikkelde snavelrozet en een brede rechtopstaande kap. We willen geen holle (of schelp-) kap zoals bij de Duitse dubbelgekapte trommelduif. De kap verlangen we hoog aangezet en zonder rozetten. Aanwezigheid van rozetten is een zware fout en maakt een puntenaantal van 92 of meer onmogelijk. Verder zien we graag dat de kap helemaal doorloopt tot aan de oogrand. Hoe dichter bij de oogrand des te beter. Zou een dier rozetten vertonen dan is de kap begrenst en daardoor vertoont deze dan nooit de gewenste lengte. Het meest voorkomende probleem in deze kap is de te lage plaatsing. We zien hem graag ingeplant op ooghoogte. Vertoont een dier nu een ronde kop dan lijkt de plaatsing van de kap vaak aan de lage kant. Dit hoeft zeker niet altijd zo te zijn.
Naast een hoog aangezette kap zien we ook graag een stevige kap die een nekscheiding vertoont. Over deze nekscheiding zijn de meningen nogal verdeeld. De een vind het namelijk mooier als de nekpartij helemaal gevuld is (en dus geen scheiding vertoont). Een ander ziet juist weer liever wel een scheiding, dit omdat hierdoor de kap vaak steviger lijkt. In de standaard wordt deze scheiding wel gevraagd, dus zo lang dat dat er staat moeten onze Frankische trommelduiven een lichte scheiding vertonen.
Naast deze kap wordt de kop ook gesierd door een snavelrozet. Deze moet rijkbevederd en ovaal van vorm zijn. De snavelrozet moet aan de voorzijde minimaal de neusdoppen bedekken. Dit is over het algemeen geen probleem. Verder moet de rozet rondom gesloten en goed onderbouwd zijn. Een lichte scheiding boven de ogen is niet meer gewenst. Dus is de rozet niet geheel gesloten dan moeten hier direct punten voor worden afgetrokken. Mist een vogel één of twee veertjes dan kost hem dat een punt, worden het er meer en wordt het een duidelijke gaping dan kost het meerdere punten. Houdt echter altijd wel rekening met de eventuele rui. Aan het begin van het showseizoen is het een stuk lastiger om een goed gesloten rozet te brengen als aan het einde van het seizoen. Ook moet de rozet goed onderbouwd zijn. Dit betekend dat er voldoende steunveren (veren die rechtop groeien) aanwezig moeten zijn die de rozet omhoog duwen. Een teveel aan steunveren mag geconditioneerd worden. Mits het natuurlijk niet duidelijk zichtbaar is. De snavelrozet moet altijd vlak zijn. Dit is het beste te beoordelen door er eerst bovenop te kijken en daarna de rozet van de zijkant te bekijken. Vertoont een vogel helemaal geen onderbouw en heeft deze een zogenaamde hangrozet dan moet dit aangerekend worden als een zware fout.

Ogen en snavel
De oogkleur is voor alle kleurslagen oranje-rood, behalve bij wit, erwtengeel, gedekt en geeksterd. Deze kleurslagen hebben donkere ogen. De kleur van de oogranden gaat mee met de kopkleur. De snavel is middellang. Bij de donkere kleurslagen is deze donkerhoornkleurig tot zwart. Bij meellicht (geband en ongeband), geleeuwerikt, blauwzilver (geband en ongeband) en blauwzilver gekrast hoornkleurig. Bij de lichte kleurslagen, geeksterd en gedekt is de snavelkleur licht. Bij rood is een iets aangeslagen snavel toegestaan. Bij donkergekleurde geeksterden en gedekten is een aangelopen ondersnavel toegestaan.

Kleurslagen
De Frankische trommelduif komt voor in een groot pallet aan kleuren. Te weten eenkleurig in: wit, zwart, rood , geel, blauw zwartgeband, blauw ongeband, blauw gekrast, blauwzilver donkergeband, blauwzilver ongeband, blauwzilver gekrast, roodzilver geband, roodzilver gekrast, geelzilver geband, gelzilver gekrast, meellicht geband, meellicht ongeband, geleeuwerikt, erwtengeel, blauwschimmel.
Sproetkoppen (met en zonder vleugelrozet) in zwart, rood, geel en blauw. Donker- en lichtgetijgerd in zwart, rood, geel en blauw. Witschilden in zwart, rood en geel. Geeksterd en gedekt in zwart, rood, geel, blauw zwartgeband, blauwgekrast, meellicht en blauwzilver gekrast.
Uiteraard horen de kleuren zuiver en de "lakkleuren" glansrijk te zijn. Dat levert over het algemeen niet zoveel problemen op. Hieraan kunnen bij de toetskleuren (blauwvarianten en wit) hoge eisen gesteld worden. We hebben hier niet te maken met een kleurduif, maar met een ras waarbij type en kopstructuur op de eerste plaats komen. De getekende varianten zijn zeldzame verschijningen en vaak moeilijk goed getekend te fokken. Houdt daarom bij de beoordeling van deze varianten rekening met deze moeilijkheidsgraad. Bij geeksterd zijn de kap, achterhals, schouders, borst, staart met bovenstaartdek en kiel gekleurd en ze hebben aan weerszijde onder de ogen gekleurde bakkebaarden. De kop, voorhals, vleugels, buik en rug zijn wit. Bij de gedekten zijn de schilden gekleurd en aan elke vleugel dienen 8-12 buitenste pennen wit te zijn. Een verschil van meer dan twee witte pennen is geen probleem. De rest van de tekening is gelijk aan de geeksterde variant. In Duitsland is het op dit moment zo dat bij deze twee tekenings varianten een witte staartpen geen zware fout meer is, maar nog steeds een ZG op kan leveren. Deze keuze is gemaakt om ervoor te zorgen dat er wat meer dieren in deze varieteiten op de tentoonstelling komen. Houdt hier dus rekening mee.

Voor een verdere beschrijving van de kleuren verwijs ik naar het kleurenblok in de sierduivenstandaard.

Beoordeling
Het type en de stand beoordelen we net als bij elk ander ras in de kooi. De kopstructuur kan in de kooi ook al grotendeels beoordeeld worden. Nemen we de duif uit de kooi dan kan de structuur nogmaals beoordeeld worden door er eerst bovenop te kijken. De kap kan dan eventueel even goed gelegd worden door de veren even tussen duim en wijsvinger glad te strijken. Op dat moment is ook goed te beoordelen of de kap doorloopt tot aan de oogrand. Na het beoordelen van de kap kan men de snavelrozet goed beoordelen door deze ook weer eerst van boven te bekijken. Dit om te zien of deze van voldoende grote en rondom gesloten is. Hierna kan men de snavelrozet ook nogmaals van de zijkant bekijken. Op deze manier is goed te beoordelen of deze goed is onderbouwd. Nadat type en structuur beoordeeld zijn dienen de kleur en de tekening beoordeeld te worden. Nogmaals type, stand en structuur zijn de belangrijkste onderdelen!

Naast het uiterlijk van de duif, is dit ras ook bijzonder prettig om op het hok te hebben. Ze zijn bijzonder vruchtbaar en zeer toegewijde ouders. De jongen liggen altijd met een volle krop. Wat voor mij tevens erg belangrijk is is dat ze erg rustig zijn op het nest. Dit betekend dat ze niet opvliegen en hun nest makkelijk laten controleren. Mijn ervaring is dat als de duivinnen op een nieuw legsel zitten, dat de doffers op het nest met jongen blijven zitten. Voor mij zijn dit naast het uiterlijk ook erg belangrijke raseigenschappen.

Statistieken

Gebruikers
2
Artikelen
20
Weblinks
38
Artikelen bekeken hits
29965